arrow_drop_up arrow_drop_down
Veranderingen van het voedingspatroon tijdens de drie voedingsrevoluties en impact op onze gezondheid
24 maart 2021 

Veranderingen van het voedingspatroon tijdens de drie voedingsrevoluties en impact op onze gezondheid

Wat is er precies op voedingsgebied veranderd tijdens de voedingsrevoluties? En wat zijn de bijbehorende consequenties geweest op onze gezondheid? Je leest er meer over in dit artikel.

De drie revoluties

Sinds de verschillende revoluties is er enorm veel verandert als het gaat om onze voeding met allerlei nadelige gevolgen op onze gezondheid. Tot de agrarische revolutie hebben onze genen miljoenen jaren de tijd gehad om zich aan te passen aan een dieet met natuurlijke voeding. Sinds de agrarische revolutie kwam daar een grote verandering in. De volgende drie revoluties hebben in korte tijd – op evolutionaire tijdschaal – voor een enorme verandering gezorgd.

  1. De agrarische revolutie (10.000 jaar geleden)
  2. De industriële revolutie (250 jaar geleden)
  3. De fastfoodrevolutie (50 jaar geleden)

1. De agrarische revolutie

Op het moment dat de agrarische revolutie op gang kwam (10.000 jaar geleden in het Midden-Oosten en 4.000-5.000 jaar geleden in Nederland), begonnen onze voorouders de landbouw te bedrijven. We hadden ons inmiddels over de hele wereld verspreid en in dichtbevolkte gebieden begon voedselschaarste op te treden. De voedselschaarste leidde onder jager-verzamelaars tot het eten van voedingsmiddelen met een lagere voedingswaarde, maar meer calorieën, zoals granen en knollen. Door het verbouwen van slechts enkele plantensoorten (monocultuur) konden er meer mensen van energie worden voorzien, maar tegelijkertijd zorgde het ook voor een afname in de diversiteit van voeding. Daarnaast aten we meer koolhydraten uit granen en knollen gingen eten en minder eiwitten uit vlees, vis en gevogelte. De kwaliteit van onze voeding ging sindsdien drastisch omlaag.1

Wanneer je dit vergelijkt met de !Kung (geen spelfout dit;), die in het zuiden van Afrika leven, eten zij wel 105 verschillende planten en 260 verschillende dieren. Daarmee is hun voeding veel gevarieerder. Wanneer we ervan uitgaan dat al onze voorouders zo gevarieerd aten, zijn we sinds de agrarische revolutie erg eenzijdig gaan eten. We aten voor het merendeel gerechten die gebaseerd waren op niet meer dan één of enkele soorten zetmeelrijke gewassen zoals aardappels, rijst, tarwe of maïs. Met een enorme afname van diversiteit in micronutriënten (vitamines, mineralen, spoorelementen) in de voeding tot gevolg.

Daarnaast had de agrarische revolutie tot gevolg dat we minder omega-3-vetzuren uit onder andere groene bladgroenten (ALA) en vis (EPA en DHA) haalden en meer omega-6-vetzuren uit granen (LA) en het vlees (AA) van ons vee binnenkregen.2

Met de agrarische revolutie is de eerste stap naar de westerse leefstijl gezet. Mensen werden sinds de agrarische revolutie minder groot, het gebit verslechterde en vele andere voeding gerelateerde klachten ontstonden. Deze klachten waren grotendeels het gevolg van een verandering in het voedingspatroon. De overstap van wilde dieren en planten naar een eenzijdig eetpatroon aan landbouw- en veeteeltproducten, zoals granen en melk.3-5

Daarentegen zijn er ook studies die aantonen dat het eten van granen en melk niet per se hoeven te leiden tot het ontwikkelen van welvaartsziekten. Zo heeft onderzoeker W. A. Price wereldwijd onderzoeken gedaan onder traditionele, niet-verwesterde populaties. Daarbij toonde hij aan dat het mogelijk is om granen en zuivel te eten zonder welvaartsziekten te ontwikkelen. Maar daarbij is het wel belangrijk om te weten dat de traditionele populaties gebruik maakten van verschillende bewerkingstechnieken, zoals weken, kiemen en fermenteren. Zo creëerden ze voedingsmiddelen die een voedingswaarde hadden vergelijkbaar met de voeding van jager-verzamelaars en tegelijkertijd ging de concentratie antinutriënten in de voeding omlaag.6

Antinutriënten

Sinds de agrarische revolutie zijn we meer granen gaan eten. Wanneer we kijken naar graankorrels zijn dit in de eerste instantie de zaden van planten die zich willen voortplanten. Om zich zo goed mogelijk te kunnen voortplanten, zullen de zaden er alles aan doen om te voorkomen dat ze opgegeten worden. Een plant kan immers niet wegrennen als wij hem proberen op te eten. Hij moet zichzelf dus op een andere manier verdedigen. Het allerbest verdedigt een plant zijn zaden – zijn nageslacht – door daarin een extra hoge concentratie verdedigingsstoffen op te slaan. Verdedigingsstoffen die voorkomen dat de zaden worden verteerd en de plant zich niet meer kan voortplanten. Uit onderzoek blijkt dan ook dat bijvoorbeeld in de zemelen van rijstkorrels lage concentraties van het toxische arseen voorkomen. Ook irriteren graankorrels het darmslijmvlies, waardoor diarree optreedt.7

Vanuit evolutionair perspectief zou je dit kunnen zien als een strategie van de graanplant om zo snel mogelijk onverteerd te worden uitgepoept in een dikke hoop mest. Vervolgens heeft het zaadje een goede voedingsbodem om te groeien en kan de graanplant zich beter voortplanten. De verdedigingsstoffen in de graankorrel die hiervoor zorgen, worden ook wel antinutriënten genoemd, denk hierbij aan de gluten in een graankorrel.

5 veranderingen in ons dieet sinds de agrarische revolutie

Samengevat is er sinds de agrarische revolutie het volgende verandert in ons dieet:

  1. Veranderde samenstelling van de macronutriënten
  2. Minder voedingsstoffen in de voeding
  3. Toename van antinutriënten in de voeding
  4. Meer omega-6 in de voeding en minder omega-3
  5. Veranderde calcium-fosfor verhouding in voeding door zuivel

2. De industriële revolutie

Na de opkomst van de agrarische revolutie, kwam zo’n tweehonderd jaar geleden de industriële revolutie op gang. Nieuwe productiemethoden maakte massaproductie van geraffineerde granen, suikers en plantaardige oliën, hydrogeneren van vetten en het inblikken van groenten mogelijk. Deze productiemethoden zorgden ervoor dat het product langdurig kon worden bewaard en daarmee veel gemakkelijker getransporteerd. Daarnaast werd de veestapel geïndustrialiseerd. Wereldwijd werd dit ‘fabrieksvoedsel’ beschikbaar gemaakt, met nog meer verlies van onze gezondheid tot gevolg.

Raffineren van granen, suikers en olie

Bij raffinage wordt een chemische stof, zoals suiker, olie of zetmeel gescheiden van andere stoffen die van nature in het voedingsmiddel voorkomen. Bij bijvoorbeeld het raffineren van suikerbieten, suikerriet of suikerpalm wordt suiker geïsoleerd van alle andere voedingsstoffen. En bij het raffineren van olie wordt enkel de olie gewonnen uit de pitten van zonnebloemen, walnoten of bijvoorbeeld olijven. Ook het zetmeel uit graankorrels werd tijdens de industriële revolutie in steeds hogere mate geraffineerd. Dit gaat ten koste van alle voedingsstoffen die zich de graankorrel bevinden, zoals in het kiemlichaampje en de zemel. Hierdoor kun je deze producten ook wel ‘lege’ producten noemen. Ze bevatten veel calorieën, maar zijn grotendeels ontdaan van alle micronutriënten.

Hydrogeneren van vetten

Vetten kunnen worden onderverdeelt in verzadigd vet, enkelvoudig onverzadigd vet en meervoudig onverzadigd vet (omega-6- en omega-3-vetzuren).

De meervoudig onverzadigde vetzuren kunnen helaas niet goed bewaard worden. Dit komt omdat onverzadigde vetzuren, doordat ze onverzadigd zijn, met zuurstof uit de lucht reageren, waardoor de olie oxideert en daardoor bederft of ranzig wordt. In de natuur worden de onverzadigde vetzuren beschermd tegen oxidatie door natuurlijke antioxidanten (anti= tegen, oxidanten= stoffen die oxideren). Voorbeelden hiervan zijn vitamine A, C en E. Door het raffineren van zonnebloempitten tot olie verdwijnen grotendeels de natuurlijke antioxidanten. Om het ranzig worden van deze onverzadigde vetten te voorkomen, kwam de voedingsindustrie daarom met een nieuwe techniek; hydrogenatie. Bij hydrogenatie of harden worden meervoudig onverzadigde vetten omgezet in verzadigde vetten en enkelvoudig onverzadigde vetten. Dit proces vindt plaats onder invloed van waterstof (hydrogen in het Engels, vandaar ‘hydrogeneren’). Hierdoor wordt voorkomen dat de olie ranzig wordt en dit had verschillende voordelen voor de voedingsindustrie. Zo hadden de producten een langere houdbaarheid en daarnaast werden onverzadigde oliën minder vloeibaar. Margarine is hier een voorbeeld van. Door hydrogenatie is de olie niet echt vloeibaar, maar ook niet vast, waardoor margarine goed smeerbaar is.

Nadelige gevolgen op onze gezondheid

Helaas heeft hydrogenatie nogal nadelige gevolgen voor de gezondheid. Het aantal meervoudig onverzadigde vetten neemt af, terwijl het gehalte verzadigd vet toeneemt. Hierdoor werd er gedacht dat de producten minder gezond werden. Daarom bedacht de voedingsindustrie iets nieuws: partiële hydrogenatie. Hierbij worden niet alle onverzadigde molecuulverbindingen in een meervoudig onverzadigd vetzuurmolecuul omgezet in verzadigde molecuulverbindingen, maar slechts een gedeelte. Ook deze oplossing had opnieuw erg ongezonde gevolgen. Het gevolg hiervan was namelijk dat niet alleen een aantal onverzadigde meervoudige vetzuren werden omgezet in verzadigde vetzuren, maar dat ook een deel van de onverzadigde vetzuren werd omgezet in transvetzuren.

Transvetzuren

Transvetzuren kun je het beste vergelijken met synthetische motorolie voor je auto, het is vet maar je lijf kan er niks meer. Daarnaast lokken transvetzuren ontsteking uit. Mensen die het onverzadigde of het verzadigde vet in hun voeding vervangen door transvetzuren lopen een veel hogere kans op hart- en vaatziekten. Sinds bekend is dat transvetzuren erg ongezond zijn, is de hoeveelheid industrieel bereide transvetzuren sterk gedaald. In een rapport uit 1999 blijkt helaas dat de gemiddelde Nederlander nog steeds bijna 5 gram aan transvetzuren per dag binnenkrijgt. De transvetzuren zitten vooral in margarine (33%), chips (13%), patat (13%), koekjes (13%) en gebak (13%).8-10

Inblikken van groente

Ook zijn we sinds de negentiende eeuw producten anders gaan bewaren. Zo begonnen we met het conserveren in blik. Bij het inblikken van de meeste producten moeten deze eerst onder hoge temperatuur worden gesteriliseerd. Zo worden de producten ontdaan van schadelijke micro-organismen, maar gaat helaas ook een deel van de micronutriënten verloren en de ‘goede’ microben (bacteriën, schimmels en gisten) die we juist nodig hebben voor een optimale spijsvertering.

Industrialisatie van de veestapel

Sinds de industriële revolutie de manier waarop vee wordt gehouden enorm verandert. Vroeger liepen koeien, geiten en schapen vrijuit rond en aten ze hetzelfde als bijvoorbeeld wilde dieren die in hetzelfde gebied leefden. Nu is dit erg verandert en staan koeien minder buiten en meer binnen in stallen om vervolgens zo snel mogelijk te worden vetgemest en te worden geslacht. Hierdoor is de voedingswaarde van het vlees sterk achteruitgegaan. Zo is het vetpercentage van een biefstuk afkomstig van een koe maar liefst 25% ten opzichte van een wilde buffel die maar 2,8% vet bevat. De biefstuk mag dan erg mals zijn, maar is een stuk minder gezond. Het vlees van een wilde buffel bevat wel 20% meervoudig onverzadigde vetzuren, terwijl een vetgemeste koe slechts 2% meervoudige onverzadigde vetzuren bevat.11

omega-6- en omega-3 verhouding

Daarnaast is de omega-6- en omega-3 verhouding in het vlees enorm verandert. Zo heeft het voer (meestal maïs of graan) dat de dieren in stallen krijgen, een omega-6/omega-3 verhouding van 50:1, ten opzichte van 4:1 in het natuurlijke voedsel van een koe (vers groen gras). Hierdoor is de hoeveelheid alfalinoleenzuur (omega-3) ten opzichte van de hoeveelheid van linoleenzuur (omega-6) sterk gedaald.12-13

Een nadelig gevolg hiervan is dat ons lichaam niet meer in staat is om de omega-3 vetzuren om te zetten in de ontstekingsremmende omega-3 vetzuren EPA en DHA door de hoge hoeveelheden van het omega-6 vetzuur (linoleenzuur). En dit zijn nou net de vetzuren die ontsteking in het lichaam remmen, waar het overgrote deel van de verwesterde mens een tekort aan heeft. Uiteindelijk kan dit een laaggradige ontsteking zorgen. De voedingsbodem voor 95% van alle welvaartsziekten. Later in dit deel lees je hier uitgebreid meer over. Naast koeien, is ook de vetzuursamenstelling in melk verslechtert. Daarmee verhoogt melk ook de kans op het ontstaan van allerlei ontstekingen.14-15

Daarnaast zijn kippen erg anders gaan leven vergeleken met het dieet van hun verre voorouders. Met als gevolg een flinke toename in de verhouding tussen omega-6- en omega-3-vetzuren. Zo blijkt uit een publicatie uit 1989 in de New England Journal of Medicine dat de eieren van kippen die vrij in de natuur rondlopen een omega-6 en omega-3 verhouding hebben van 1:1, ten opzichte van eieren die dagelijks graan gevoerd krijgen in legbatterijen met een verhouding van 20:1.16

Bewerkt vlees

Tot slot is het vlees dat in de supermarkten ligt vaak bewerkt en kun je maar moeilijk herkennen waar het vlees vandaan komt. Vaak wordt het vermalen, verhakt, voorgekookt of gerookt en vervolgens worden er allerlei smaakversterkers (zout), conserveringsmiddelen en vulstoffen (zetmeel) aan toegevoegd. Voordelig voor de voedingsindustrie, maar dit gaat ten koste van de voedingswaarde en uiteindelijk onze gezondheid.

Nadelige gevolgen van de industriële revolutie op de gezondheid

Net als de agrarische revolutie had de industriële revolutie ook nadelige gevolgen op onze gezondheid. Zo waren er steeds meer mensen met gaatjes (tandbederf) en meer gevallen met gezichtsmisvorming. Ook nam het aantal hart- en vaatziekten onder mensen met een westerse leefstijl toe, vergeleken met bevolkingsgroepen die nog geen gebruik maakten van fabrieksvoedsel.18-21

Tegenwoordig halen we zo’n 70% van onze dagelijkse energie-inname uit dit fabrieksvoedsel, zoals geraffineerde granen, plantaardige oliën en alcohol. Echter zijn deze voedingsmiddelen tot voor de industriële revolutie nooit onderdeel van ons dieet geweest.17

Vijf veranderingen in ons dieet sinds de industriële revolutie

Samengevat is er sinds de industriële revolutie het volgende veranderd in ons dieet:

  1. Door nieuwe bewerkingsmethodes zitten er nog minder voedingsstoffen in de voeding
  2. Nog meer omega-6 in de voeding en minder omega-3
  3. Door raffinage van granen minder vezels
  4. Door raffinage van suikerbieten, granen en maïs meer snelle suikers
  5. Een toename aan toxische stoffen in de lucht, water en de voeding

3. Junkfood revolutie

Zo’n 50 jaar geleden kwam de junkfoodrevolutie op gang. Sindsdien is het nog moeilijker om onze oerinstincten onder controle te houden. Wandel maar eens door de stad, school, theater, station, tankstation of een andere openbare gelegenheid. Overal waar je kijkt word je uitgelokt voor een lekker ijsje, frietje, hamburger met een halve liter cola, kibbeling of broodje shoarma. Junkfood dat door voedingsexperts ontworpen is voor een optimale interactie met onze smaak en de voedingsindustrie weet maar al te goed hoe ze hier perfect op in kunnen spelen.22

Supernormal stimuli

Onderzoek toont aan dat je hersenen een sterkere voorkeur voor junkfood hebben dan voor traditioneel voedsel, zoals groente, fruit en vlees. Het eten van junkfood prikkelt de hersenen op een onnatuurlijke manier. Alleen al bij het ruiken van deze voedingsmiddelen, loopt het water je in de mond. Deze prikkels worden ook wel supernormal stimuli genoemd, oftewel een supra normale prikkel. Junkfood zorgt ervoor dat ons beloningssysteem gek wordt. Na honderdduizenden jaren van jagen op en het verzamelen van voedsel in het wild heeft de menselijke geest zich zo ontwikkeld dat die aan zout, suiker en vet veel waarde toekent. Dit eten is vaak calorierijk, en was zeer zeldzaam toen onze voorouders nog jaagden en verzamelden. Als je niet weet wanneer je je volgende maaltijd krijgt, dan is zo veel mogelijk eten een goede manier om je kans op overleven te vergroten.

Tegenwoordig leven we juist in een omgeving vol overvloed, maar je hersenen blijven naar eten verlangen alsof er een tekort aan is. Hersenen die veel belang hechten aan zout, suiker en vet is niet langer goed voor onze gezondheid, maar het verlangen blijft bestaan omdat het beloningsgebied in de hersenen onveranderd is gebleven sinds de agrarische revolutie.23, 24, 25, 26

Uiteindelijk zijn we sinds de junkfood revolutie verder weg van onze natuur komen te staan dan ooit. De inname van koolhydraten, en met name geraffineerde koolhydraten (zoals geraffineerde granen, suikers en allerlei andere ‘lege’ producten) is met de jaren enorm gestegen. Junkfood verzadigd nauwelijks en daarnaast is het erg verslavend en leidt het bij veel mensen tot overeten. Tegelijkertijd is het aantal mensen met overgewicht en diabetes sinds de junkfood revolutie geëxplodeerd.27

Vijf veranderingen in ons dieet sinds de junkfood revolutie

Samengevat is er sinds de junkfood revolutie het volgende verandert in ons dieet:

  1. Verhoudingen tussen macronutriënten nog meer verandert
  2. Opnieuw minder voedingsstoffen in de voeding
  3. Meer eet- en drinkmomenten door de introductie van tussendoortjes
  4. Afname in consumptie groente & fruit en toename verzurende voeding
  5. Verdere toename snelle suikers

Literatuur

  1. The food crisis in prehistory. Overpopulation and the origins of agriculture. (1978). Medical History22(2), 218.
  2. Lee, Richard B. 1968. “What Hunters Do for a Living, Or, How to Make out on Scarce Resources.” In Man the Hunter, edited by Richard B. Lee, Irven DeVore, and Jill Nash, 30–48. Chicago: Aldine Publishing Company.
  3. Daniel E. Lieberman (2013). The Story of the Human Body: Evolution, Health, and Disease.
  4. Youtube video: CARTA: Evolution of Human Nutrition, Clark Spencer Larsen: Agriculture’s Impact on Human Evolution. https://www.youtube.com/watch?v=ybRD4UPN3D4
  5. Cordain, L., Eaton, S. B., Sebastian, A., Mann, N., Lindeberg, S., Watkins, B. A., … & Brand-Miller, J. (2005). Origins and evolution of the Western diet: health implications for the 21st century. The American journal of clinical nutrition, 81(2), 341-354.
  6. Price, W. A. (1939). Nutrition and Physical Degeneration: A Comparison of Primative and Modern Diets and Their Effects. PB Hoeber, Incorporated.
  7. Fasano A, Catassi C. Clinical practice. Celiac disease. N Engl J Med. 2012 Dec 20;367(25):2419-26. doi: 10.1056/NEJMcp1113994. PMID: 23252527.
  8. Dariush Mozaffarian, Tobias Pischon, Susan E Hankinson, Nader Rifai, Kaumudi Joshipura, Walter C Willett, Eric B Rimm, Dietary intake of trans fatty acids and systemic inflammation in women, The American Journal of Clinical Nutrition, Volume 79, Issue 4, April 2004, Pages 606–612, https://doi.org/10.1093/ajcn/79.4.606
  9. Mensink RP, Katan MB. Effect of dietary trans fatty acids on high-density and low-density lipoprotein cholesterol levels in healthy subjects. N Engl J Med. 1990 Aug 16;323(7):439-45. doi: 10.1056/NEJM199008163230703. PMID: 2374566.
  10. Hulshof KF, van Erp-Baart MA, Anttolainen M, Becker W, Church SM, Couet C, Hermann-Kunz E, Kesteloot H, Leth T, Martins I, Moreiras O, Moschandreas J, Pizzoferrato L, Rimestad AH, Thorgeirsdottir H, van Amelsvoort JM, Aro A, Kafatos AG, Lanzmann-Petithory D, van Poppel G. Intake of fatty acids in western Europe with emphasis on trans fatty acids: the TRANSFAIR Study. Eur J Clin Nutr. 1999 Feb;53(2):143-57. doi: 10.1038/sj.ejcn.1600692. PMID: 10099948.
  11. Crawford MA. Fatty-acid ratios in free-living and domestic animals. Possible implications for atheroma. Lancet. 1968 Jun 22;1(7556):1329-33. doi: 10.1016/s0140-6736(68)92034-5. PMID: 4172649.
  12. Ailhaud G, Massiera F, Weill P, Legrand P, Alessandri JM, Guesnet P. Temporal changes in dietary fats: role of n-6 polyunsaturated fatty acids in excessive adipose tissue development and relationship to obesity. Prog Lipid Res. 2006 May;45(3):203-36. doi: 10.1016/j.plipres.2006.01.003. Epub 2006 Feb 10. PMID: 16516300.
  13. William Manner, Robert J. Maxwell, James E. Williams, Effects of Dietary Regimen and Tissue Site on Bovine Fatty Acid Profiles, Journal of Animal Science, Volume 59, Issue 1, July 1984, Pages 109–121,
  14. Carrera-Bastos, P., O’Keefe, J. H., Cordain, L., & Lindeberg, S. (2011). The western diet and lifestyle and diseases of civilization. Research Reports in Clinical Cardiology, 2, 15-35.
  15. Leiber F, Kreuzer M, Nigg D, Wettstein HR, Scheeder MR. A study on the causes for the elevated n-3 fatty acids in cows’ milk of alpine origin. Lipids. 2005 Feb;40(2):191-202. doi: 10.1007/s11745-005-1375-3. PMID: 15884768.
  16. Kuipers (2015). Het oerdieet: de manier om gezond oud te worden. Vijfde druk. Uitgeverij Prometheus Bert Bakker.
  17. Kratz M, Baars T, Guyenet S. The relationship between high-fat dairy consumption and obesity, cardiovascular, and metabolic disease. Eur J Nutr. 2013 Feb;52(1):1-24. doi: 10.1007/s00394-012-0418-1. Epub 2012 Jul 19. PMID: 22810464.
  18. Kuipers (2015). Het oerdieet: de manier om gezond oud te worden. Vijfde druk. Uitgeverij Prometheus Bert Bakker.
  19. Price, W. A. (1939). Nutrition and Physical Degeneration: A Comparison of Primative and Modern Diets and Their Effects. PB Hoeber, Incorporated.
  20. Lee, K. T., Nam, S. C., Kwon, O. H., Kim, S. B., & Goodale, F. (1963). Geographic pathology of arteriosclerosis: A study of the “critical level” of dietary fat as related to myocardial infarction in Koreans. Experimental and molecular pathology, 2(1), 1-13.
  21. Hokanson, J. E., & Austin, M. A. (1996). Plasma triglyceride level is a risk factor for cardiovascular disease independent of high-density lipoprotein cholesterol level: a metaanalysis of population-based prospective studies. Journal of cardiovascular risk, 3(2), 213-219.
  22. Simopoulos AP, Salem N Jr. n-3 fatty acids in eggs from range-fed Greek chickens. N Engl J Med. 1989 Nov 16;321(20):1412. doi: 10.1056/NEJM198911163212013. PMID: 2811950.
  23. Ahima R. S. (2009). The end of overeating: Taking control of the insatiable American appetite. The Journal of Clinical Investigation119(10), 2867. https://doi.org/10.1172/JCI40983
  24. Goldstone, A. P., Prechtl de Hernandez, C. G., Beaver, J. D., Muhammed, K., Croese, C., Bell, G., … & Bell, J. D. (2009). Fasting biases brain reward systems towards high‐calorie foods. European Journal of Neuroscience, 30(8), 1625-1635.
  25. King, B. M. (2013). The modern obesity epidemic, ancestral hunter-gatherers, and the sensory/reward control of food intake. American Psychologist, 68(2), 88.
  26. Rolls, E. T. (2012). Taste, olfactory and food texture reward processing in the brain and the control of appetite. Proceedings of the Nutrition Society, 71(04), 488-501.
  27. Gross, L. S., Li, L., Ford, E. S., & Liu, S. (2004). Increased consumption of refined carbohydrates and the epidemic of type 2 diabetes in the United States: an ecologic assessment. The American journal of clinical nutrition, 79(5), 774-779.
Over de schrijver
Mijn naam is Jeroen de Wit. Ik houd van de natuur en de natuur vormt een grote inspiratiebron voor mij. Sinds ik 4 jaar geleden geleden besefte dat dit leven een deadline heeft, ben ik op ontdekkingsreis gegaan. Een ontdekkingsreis met de vraag: 'Welke factoren leiden tot gezondheid & geluk?'. Er kwamen verschillende gezondheidsprofessionals op mijn pad en tegelijkertijd stond ik ervan versteld hoe weinig we weten als het gaat om onze lichaam en mind. Daarom besloot ik de opgedane kennis te bundelen tot de 5 elementen van RE-SET. En dit platform op te zetten om de opgedane kennis en wijsheden nog meer te verspreiden. Daarnaast organiseer ik retreats, seminars en ben ik momenteel een aantal online trainingen aan het ontwikkelen.
Reactie plaatsen